U moet Javascript inschakelen om deze website te bezoeken.
U probeert deze website te bezoeken via Internet Explorer.
Deze website ondersteunt Internet Explorer niet.
Vanaf 2019 adviseert Microsoft aan Windowsgebruikers om te stoppen met het gebruik van Internet Explorer als standaard webbrowser.
Overweeg om één van de volgende gratis browsers te downloaden op uw Windowscomputer:
Wij hopen u gauw te mogen verwelkomen op Openluchtmuseum.nl!
Hoe werkt een vinkenbaan?
Wie in het Openluchtmuseum het pad van de Westerstraat naar de Delftse molen neemt, komt langs een groen vinkershuisje. Oorspronkelijk staat dat op een vinkenbaan bij Aerdenhout in de duinen, waar het van 1894 tot 1911 in gebruik is. In 1932 wordt het inclusief inventaris aan het museum geschonken.
Als onderdeel van de vogeltrek vliegen elk najaar talloze vinken en andere zangvogels vanuit Rusland en Scandinavië langs de Nederlandse kuststrook naar het zuiden. Eeuwenlang is het voor veel landgenoten een sport om er zoveel mogelijk te vangen. De gewone man doet dat met vangkooien, lijmstokken en ander klein materieel. De elite laat er speciale vinkenbanen voor aanleggen.
De vinkenbaan is een laatmiddeleeuwse uitvinding. Op de oudst bekende Nederlandse afbeelding, een gravure van Philips Galle uit 1578, is al een uitontwikkelde vinkenbaan te zien. Veel vinkenbanen worden in de 17e, 18e en 19e eeuw aangelegd in de Hollandse duinstreek, van Haarlem tot aan Loosduinen. Daar komen de trekvogels langs, en er wonen heel wat rijke mensen die zich een vinkenbaan kunnen veroorloven. Bij een recente inventarisatie zijn alleen al rond de duindorpen Vogelenzang, Aerdenhout, Overveen en Bloemendaal – samen een langgerekte strook van 16 kilometer – 54 vinkenbanen geïdentificeerd.
Bij de lurven pakken
Bij het aanleggen van een vinkenbaan wordt een houten huisje geplaatst met een venster op het noordoosten. Zo kunnen de ‘vinkers’ de naar het zuidwesten vliegende vogels goed zien aankomen. Naast het huisje komt een ‘druip’: een vlak stuk grasland van pakweg 30 bij 8 meter. Ter beschutting wordt rondom een dijkje aangelegd, dat aan de oost- en zuidkant iets hoger is en beplant is met bomen en struiken.
De druip wordt voorzien van twee langgerekte klapnetten – ‘deuren’ – die aan weerszijden scharnierend aan de grond zijn bevestigd. Elke deur heeft aan weerszijden twee houten latten – ‘lurven’ – die het net stevigheid geven. Voorafgaand aan elke nieuwe vangst worden de deuren bij de lurven gepakt om ze open te klappen.
Op de druip worden her en der kooitjes met gemanipuleerde lokvogels geplaatst. Deze vogeltjes worden een groot deel van de zomer in verduisterde kooien gehouden, waarin vanaf augustus telkens wat meer daglicht wordt toegelaten. Ze denken dan in september dat de lente nadert. Met hun voorjaarsgezang lokken ze overvliegende vinken naar de grond.
Ook heeft de vinker soms een paar levende vogeltjes aan een touw gebonden. Door een rukje aan deze roerlijn te geven, beginnen de vogels te fladderen en lokt de vinker nog extra vinken de druip op.
Met een ingenieuze touwconstructie kunnen de deuren vanuit het vinkershuisje door een ruk aan het vinkentouw gesloten worden. De vinker zit daartoe op een speciaal gevormde trekbank met naar achteren weglopende rugleuning, zodat hij met zijn hele gewicht naar achteren kan gaan hangen om de netten dicht te slaan. Als hij het juiste moment gekomen acht, trekt de vinker aan het vinkentouw en klappen de netten dicht; de op de druip neergestreken vogeltjes zitten gevangen.
In de kooi of in de pan
De vangsten worden bijgehouden op krijtborden en ook vaak in vangstboeken genoteerd. Per vinkenbaan gaat het soms wel om 10.000 vogels per seizoen. Een vinker in Bloemendaal heeft op 9 november 1894 een goede slag geslagen: hij noteert maar liefst 51 vinken in een slag. En in diezelfde hut is op 9 oktober 1796 al een recordvangst van 203 kepen (een noordelijke vinkensoort die in Nederland overwintert) in één keer geboekstaafd. Kepen vliegen in veel grotere groepen dan vinken.
De elite kijkt graag toe bij het vogelen. Dat moet uiteraard muisstil, want de vangst kan makkelijk worden verstoord. In de vinkershuisjes hangen spreuken die hierop attenderen. 'Die vinken en keepen wil vangen / Die zinge geen psalmen of gezangen' of 'Kom vrij binnen in dit huis / maar wees stil gelijk een muis'. Wie toch lawaai maakt, moet voor straf trakteren op wijn.
Sommige vogeltjes eindigen in een kooitje, de meeste worden verorberd. Vogels die bedoeld zijn voor consumptie, wordt meteen na vangst tussen duim en wijsvinger de kop ingedrukt. Gebraden vinken beschouwt men als knapperige delicatesse. In heel wat 18e- en 19e-eeuwse kookboeken staat de bereidingswijze beschreven. Eerst worden de vogeltjes geplukt en ontdaan van hun ingewanden. Daarna worden 'vinken met spek omwonden en aan een naald gestoken in de koekenpan gebraden. Braadtijd 15 à 20 minuten. Zij moeten zo croquant gebraden zijn dat het skelet zonder bezwaar kan worden gegeten', aldus een recept van de Haagsche Kookschool uit 1895.
Van voedsel naar wetenschappelijk onderzoek
De Vogelwet van 1912 maakt in Nederland een eind aan het vangen van vogels voor consumptie. Officieel, want clandestien houden heel wat vinkers hun hobby nog een tijdje aan. Maar de vinkenbanen in de kuststreek raken in die periode in onbruik en worden ontmanteld. Enkele vinkershuisjes blijven in gebruik voor wetenschappelijk onderzoek. Gevangen vogels worden er geringd, gemeten, gewogen en weer vrijgelaten. Op die manier is in ruim een eeuw de kennis over de trekroutes van vogels enorm toegenomen.
Hubert Slings
Wetenschappelijk medewerker
Dit stuk is een lichte bewerking van een artikel dat eerder verscheen in Volkskunde 125 (2024) 3, p. 449-453.