Feestrede
Het Nederlands Openluchtmuseum 100 jaar!
Majesteit, Excellenties, mevrouw de burgemeester, dames en heren.
Beste vrienden.
De honderdjarige
Hoe feliciteer je een honderdjarige?
Je geeft een voorzichtige handdruk .
Je zegt:
“Blijft u maar zitten".
Je informeert naar de gezondheid:
"Hoe gaat het met u?"
Je kijkt rond en ziet de visite.
"Nou, ze zijn u nog niet vergeten, hè?"
Je stemt het spreektempo en het volume af op het gehoor van de honderdjarige.
"Wat hebt u toch veel meegemaakt in die honderd jaren".
Dan komen de verhalen.
Verhalen van dichtbij,
De eigen ervaring.
Omstandigheden worden benoemd.
Veranderingen in de manier van leven worden met levendige voorbeelden en foto's uit het familiealbum geïllustreerd.
Er bestaat een boek met levensverhalen van honderdjarigen. Geert Mak schreef ”De eeuw van mijn vader”, die ook de eeuw van mijn vader was. Godfried Bomans beschreef in "Kopstukken" een wel zeer vitale honderdjarige. Honderd jaar worden is reden genoeg voor een boek. Je kunt er over schrijven èn over lezen. Veel mooier is een ontmoeting met de honderdjarige zelf.
Museumvriend
Ik ben, net als u, uitgenodigd op het verjaardagfeest van een honderdjarige. Het Nederlands Openluchtmuseum. Een instituut, waarmee ik een bijzondere vriendschap heb opgebouwd. Vriendschap - de jongste Boekenweek was er vol van - is een modaliteit in de relatie tussen mensen. Kun je vriendschap voor een museum voelen?
Dit museum. Het NOM.
Noem mij gerust een NOM-o-fiel.
Aan die afwijking lijd ik gelukkig niet alleen.
Dat gevoel deel ik met velen.
Het feit dat dit 100-jarige museum een vereniging met 12.000 vrienden heeft, zegt iets over betrokkenheid die veel mensen met deze plek, dit instituut voelen.
Wat betekent dit museum voor mij?
Dit museum is zo alledaags bijzonder. Het gaat over de geschiedenis van het dagelijks leven van gewone mensen.
Gewone mensen, die goed beschouwd verrassend bijzonder zijn. Gewone mensen in hun eigen tijd, met een eigen verhaal.
Die verhalen kunnen we hier zien, horen, beleven en, ook zelf vertellen!
Dit is een drie-generatie museum. Je komt hier als kind, als volwassene/ als ouder, als oudere/ als grootouder.
Hier leer je èn je geeft iets door. Al wandelend door de smalle straatjes, langs de authentieke huizen, de molens of de boerderijen, waan je je in een andere tijd. Maar je beseft ook dat geschiedenis ook altijd eigentijdse geschiedenis is.
Met de blik van heden, kijk je naar het verleden.
Die herkenning en de verbinding met het heden zorgt ervoor dat we het verleden niet alleen observeren, maar ook ervaren; alle zintuigen worden geprikkeld. In de molen ruik je het stof en kun je met je handen door het graan woelen.
In de stolpboerderij ruikt het daadwerkelijk naar de geuren van toen en zijn de vloeren met boenwas in gewreven.
In de donkere smederij zie je het ijzer gloeien en vraagt iemand aan de smid waarom hij zo’n zwaar leren schort draagt.Ondertussen grazen de koeien (lakenvelders) tevreden in het weiland of liggenop hun gemak te herkauwen.
"Het ijzer smeden als het heet is," wordt voor velen het eerst als realiteit ervaren. Trouwens de oorspronkelijke betekenis van veel uitdrukkingen, begrippen en woorden kunnen hier beleefd worden: gootsteen, vensterbank, toonbank. Het immateriële erfgoed dat besloten ligt in de taal, verbindt zich hier met de fysieke ruimte.
Het succes van dit Openluchtmuseum heeft, denk ik, met al die ingrediënten te maken. Je proeft de sfeer van vroeger.
Je hoort de geluiden en je ruikt de geuren die passen in deze historische context. Lege begrippen worden hier gevuld.
In dit museum ben je nooit alleen. De panden zijn "bewoond", de werkplaatsen in bedrijf. Je hebt hier altijd gezelschap. Dit is een museum dat geen suppoosten kent, waarin niet gefluisterd hoeft te worden, waarin altijd gesprekspartners zijn waarmee je ervaringen kunt delen. Ervaringen delen, dat is wat ik heb met dit museum.
Er ontstaat ook zomaar een gesprek. Met de mensen - veel vrijwilligers -van het museum, of met mede bezoekers. Vorig jaar waren dat er meer dan 450.000.
Jong en oud gaat hier samen.
Net als educatie en recreatie.
Hightech met authenticiteit,
Binnen met buiten.
Cultuur met natuur.
Zomer en winter
Eigen tijd wordt verleden tijd
Het Openluchtmuseum heeft in de eerste helft van zijn bestaan vooral de artefacten van een agrarische en ambachtelijke samenleving gepresenteerd, later ook voortbrengselen uit stedelijke milieus en beginnende industrie. Paradoxaal genoeg:dit museum dankt zijn ontstaan honderd jaar geleden uit een soort reddingsoperatie van gebouwen, die dreigden verloren te gaan als gevolg van de toenemende industriële ontwikkeling en verstedelijking. Goed gezien door die stichters van toen. Voordat je het in de gaten hebt, is de eigen tijd verleden tijd geworden; zijn kenmerkende beeldbepalende elementen uit het zicht verdwenen. Voorgoed verloren.
Er bestaat een definitie van het begrip museum die internationaal geldigheid heeft. Daarin worden de functies van een museum beschreven. In telegramstijl: het gaat om verzamelen, presenteren, documenteren, bestuderen en publiceren. Dat verzamelen gebeurt - als het goed is - systematisch, als tegenovergestelde van "willekeurig". Het Nederlands Openluchtmuseum verzamelt ook. Gebouwen. De systematiek wordt hier bepaald door wat zich "in de markt" aanbiedt. Het gaat om Nederlands cultureel erfgoed. Nu is het niet zo dat de directie van het NOM regelmatig de provincie rondreist, veilingen bezoekt of zo nu en dan op funda.nl kijkt,om te zien wat er aan vastgoed te koop is. Er wordt ook nooit niets gekocht.
Nou ja, bijna nooit.
Asiel voor cultureel erfgoed
Dit museum verzamelt niet zoals mensen postzegels of kunst verzamelen. Die verzamelaars zijn op zoek naar het ontbrekende deel in hun collectie. Daar is voor een museum als het NOM geen beginnen aan. De verzameling van dit museum is in 100 jaar bij elkaar gebracht,wanneer de gelegenheid zich voor deed. Als een gebouw weg moest, zou worden afgebroken en een typisch voorbeeld is van een stijl, een techniek, een regio, een categorie, dan ontstaat er belangstelling bij het NOM. Ik zie het Openluchtmuseum vooral als een asiel voor cultureel erfgoed. Hier is het veilig, kan het zich ontwikkelen, maakt het zich verdienstelijk, kan de relatie met de plek van herkomst in stand blijven, zonder dat uitzetting dreigt.
Natuurlijk is het beter, het historische object op de plek zelf, de nodige bescherming te geven. Dat is ook de bedoeling van de Monumentenwet. In deskundigen taal heet dat "in situ". Het monument komt het best tot zijn recht op de plek van zijn oorsprong. Als het niet anders kan, wordt het monument hier asiel verleend.
Soms is het onmogelijk om het gebouwde op de plek te handhaven.
-
De hogesnelheidslijn kan moeilijk een scherpe bocht maken, om een 17e eeuwse boerderij te handhaven;
-
Een oude kippenschuur voldoet niet meer en blijkt dan ooit een onderkomen te zijn geweest van oud KNIL-soldaten en hun gezinnen;
-
De stadsvernieuwing gecombineerd met behoefte aan passende huisvesting voor zorg behoevende ouderen in de Jordaan, betekent de sloop van antieke panden, met verkrotte achterhuizen.
Daarvan beleven we vandaag de officiële opening door Hare Majesteit de Koningin.
Ik mis ook nog wel wat
Mag ik dat zeggen? Ik beschrijf het, en laat u raden! Nog maar vijftig jaar geleden waren het beeld bepalende elementen in iedere grotere plaats. Nu zijn ze overal verdwenen. Het waren grote, hoge, zwarte cilindervormige metalen bouwwerken, van onder rondom gesloten; de bovenrand is een kantwerk van staal.
Inderdaad, de gashouders. Ze zijn overal verdwenen. Honderden! Zelfs niet in het depot van het Openluchtmuseum aanwezig. Ik vind dat jammer. Ik begrijp het wel: die gashouders stonden voor gevaarlijk, smerig, lelijk. Weg ermee! Ze horen bij een tijdperk, dat nodig vervangen moest worden door de schone energie van ons aardgas. Kenmerkend dus toch voor een periode, een productiewijze met bijbehorende infrastructuur.
Nog één proberen? Iets wat er wèl nog is, maar ook eens zal kunnen verdwijnen. Guirlandes in het landschap. Systematisch parallel getrokken lijnen, sierlijk gebogen, opgehangen aan een reeks miniatuur Eifeltorens, net als de molens op de Kinderdijk in serie geschakeld. Hoogspanningsleidingen.
Eens gaan ze verdwijnen. En net als bij de gashouders zullen weinigen zich er om bekommeren. Toch goed dat er een Openluchtmuseum is, dat oog heeft voor dit soort ontwikkelingen en de nog niet geziene schoonheid.
Wat zullen generaties na ons uit onze tijd hier te zien krijgen? Wat is nùkenmerkend alledaags? Daarover moeten we nu al gaan nadenken, anders is dat bijzondere alledaagse misschien al opgelost in de tijd, zonder dat we er erg in hebben.
In dit museum gaat het niet alleen om gebouwen. Het gaat ook om de bijpassende spullen, technieken, gebruiken, tradities, taal. Het gaat om mensen dus.
In de volkskunde is diversiteit, variatie in identiteit, een belangrijk aandachtspunt. Eerst kreeg dit idee hier invulling door een min of meer regionaal specifieke invulling. Steeds meer gaan we nu naar het zichtbaar en beleefbaar maken van de rijke variatie in cultuur, per sociale groep. De levensstijl van landgenoten met een in oorsprong andere dan een Nederlandse etnische achtergrond. Dit is ook voor het Nederlands Openluchtmuseum een belangrijk omslagpunt.
Ook hier gaat het om: Ervaringen delen.
Witgewassen geschiedenis
Lange tijd heeft het Nederlands Openluchtmuseum het dagelijkse leven van de Nederlander uit vervlogen tijden laten zien. D.w.z. het leven van witte Nederlanders aan witte Nederlanders. Is de Nederlandse bevolking ooit puur wit geweest? Romeinen, Spanjaarden, Fransen, Italianen en al die anderen, lieten hier hun genen achter. Het lijkt wel dat we onze geschiedenis hebben witgewassen. Wie heeft in zijn stamboom niet een “vreemdeling” als voorouder?
Maar tot voor kort was het in het NOM niet te zien,
noch aan de bezoekers
noch aan de presentaties,
dat Nederland stilaan aan het verkleuren was.
Je hoeft geen culturele antropologie te hebben gestudeerd om te kunnen weten, dat onze samenleving al veel langer dan de afgelopen 100 jaar plaats heeft gegeven aan mensen met een uitheemse (lekker ouderwets woord) herkomst. “De wereld staat op onze stoep,” wordt weleens gezegd. Die stoep heeft heel lang in dit museum ontbroken. Sinds de jaren 80 zoekt dit museum verbreding van nationaal naar internationale invloeden op onze Nederlandse identiteit.
Dè Nederlandse identiteit?
Ik wil er hier nu niet weer over beginnen. Identiteit is een dynamisch begrip. Niet voor niets heeft ons paspoort, of ID-kaart, een beperkte geldigheid.
Een doorbraak was de woonbarak uit Lage Mierde (Brabant), waarin KNIL militairen en hun gezinnen jaren lang hebben gewoond, in afwachting van terugkeer naar de Zuid-Molukken. Bij de opening in 2003 waren niet de 350 verwachte bezoekers van Molukse origine gekomen; maar liefst 3000 mensen met een Molukse achtergrond. Nog nooit had het publiek van het openluchtmuseum zoveel kleur. En ze bleven komen. Elk jaar weer; elk jaar meer.
Over de komst van de barak is veel discussie geweest. Dat is goed. De directie stelt zich op het standpunt dat het verhaal van de Molukse gemeenschap in Nederland deel uit maakt van onze vaderlandse geschiedenis. Het is de eerste keer dat in dit museum het koloniale verleden van ons land aan bod kwam. Voor het eerst werd hier iets zichtbaar van de dynamiek van demografische ontwikkeling in internationaal verband. Het was de opmaat naar een veel omvattend programma dat ontwikkeld is door de vorige directeur, Jan Vaessen, en door de huidige directie wordt voortgezet. Migratie als verbindend thema. Het komen en gaan van mensen is van alle tijden. Nederlanders emigreren. Nieuwe Nederlanders komen: voor werk, voor vrijheid, voor veiligheid…
In dit museum is “de Chinees” al aanwezig. Binnenkort komt de Italiaan. De eerste Italiaanse ijssalon VenezIa uit Utrecht ligt al in het depot.( Ze zoeken nog een sponsor). Klederdrachten behoren tot de vaste collectie; ook uit Suriname. Gepresenteerd naast die uit Staphorst en Hindeloopen zijn er opmerkelijke overeenkomsten te ontdekken. Bij binnenkomst hoorde u de klanken van het al oude draaiorgel. Deze oer-Hollandse muziekmachine draagt de naam van “De Arabier.”
En vanaf vandaag is hier het 'Turken-pension'. Achter de hoge gevels van Amsterdamse huizen gaat een werkelijkheid schuil, die bijna verloren was gegaan. Zoals de plaggenhut uit de Drentse veenkolonie symbool staat voor de armoe op het land, zo verwijzen de krotten, de achterhuizen, naar armoede in de stad:
"Me wiegie was een stijfselkissie;
Me deken was een baaienrok.” zong Zwarte Riek.
Waardering voor de oorsprong
Je moet in je leven minstens drie keer in dit museum zijn geweest. Dit is een drie-generatie museum. Voor kinderen, voor volwassenen/ouders, voor de oudere generatie/grootouders. Zowel individueel, als in groepsverband. Groepsbezoek maakt een museum ook aantrekkelijk voor mensen, die niet zo gewoon zijn om naar een museum te gaan.
Het is voor velen een eye-opener om te zien hoe oer Nederlandse cultuurproducten eigenlijk na-maak van buitenlandse voorbeelden zijn: Delfts blauw is in oorsprong na-maak Chinees porselein. Tulpen uit Amsterdam zijn heel ergTurks. Wat bij een doorsnee Chinees restaurant op het menu staat is zo verhollandst, dat het in China zelf nergens verkrijgbaar is. De “afhaalchinees” heeft nota bene in dit museum onderdak gekregen in één van de typische Hollandse huisjes in de Zaanse buurt.
Dit alles helpt te leren relativeren, verbanden te zien, identiteit te ontwikkelen. Waardering te krijgen voor de oorsprong. Nieuwsgierigheid te kweken naar wat mensen beweegt, vroeger, of van elders. Deze houding schept condities voor een toekomstige samenleving, die respect heeft voor de erfenis; een maatschappij, die niet bang is voor nieuwe uitdagingen.
Daarvan iets te ervaren is zó waardevol ! Het is inburgering voor een breed publiek, jong en oud, voor oude en nieuwe Nederlanders. Burgerschap voor iedereen.
Ik kijk op mijn horloge.
Ik heb veel te lang gepraat.
Ik moet opstappen.
Ik heb de honderdjarige misschien al veel te veel vermoeid.
Ik wens deze honderdjarige nog vele jaren, een goede gezondheid en, veel bezoek.
Ik neem afscheid.
Ik sta op, buig mij een beetje naar voren.
Geef weer voorzichtig een hand.
"Ik moet nu echt gaan. Ook al had ik nog uren met u willen praten over vroeger, over toen en nu, over nu en later."
Ik groet beleefd de overige aanwezigen.
“Tot ziens.”
Het is een krasse honderdjarige.
Ondanks het leeftijdsverschil voel ik onze vriendschap vandaag bevestigd.
Ik denk ondertussen stiekem aan de titel van de bestseller: "De honderdjarige man die uit het raam klom en verdween…"
Deze honderdjarige, het Openluchtmuseum, heeft ook een ambitie om uit het raam te klimmen, nieuwe wegen te zoeken, de durf om het avontuur tegemoet te gaan. “…en verdween.”
Verdwijnen?
Dat nooit!
De verjaardag van dit museum duurt nog even.
Een heel jaar lang.
Lang zal die leven.
Hiep Hiep Hoera!
Arnhem, 3 april 2012.