Bruidegomspijp

In de zeventiende eeuw, nadat het roken rond 1600 in opmars was gekomen, raakte de bruiloftspijp in gebruik. De bruidegom kreeg de pijp van zijn naaste familieleden. Op de bruiloftsdag werd kort na de toespraak van één van de buren de versierde bruidegomspijp aangereikt. De bruid stopte de pijp, stak hem aan en gaf hem aan haar echtgenoot, om zo haar ondergeschikte rol aan haar man kenbaar te maken. De pijp werd bewaard in het kabinet voor de rollen laken. Na de huwelijksdag werd de pijp alleen op feestdagen en ter gelegenheid van huwelijksjubilea gerookt. Het kwetsbare pijpje mocht immers niet breken, omdat het symbool stond voor het huwelijksgeluk. De pijp is gemaakt van klei of gips, wat staat voor vergankelijkheid; roken staat voor kortstondig genot net als, vreemd genoeg, het huwelijk. In de negentiende eeuw was de bruidegomspijp overal in zwang. Deze pijp van gips is van het merk Goedewaagen Gouda en de ketel is onversierd. De steel heeft decoraties, die staan voor huwelijkstrouw, liefde en vruchtbaarheid.



 

Detail informatie

Naam:Bruidegomspijp Inventarisnummer:NOM.7022-47 Vervaardiger:Goedewaagen Datering:Onbekend Plaats:Gouda Materiaal:Gips, textiel, metaaldraad
Bruidegomspijp 1

Pijp van gips


Bruidegomspijp 2

AA 39728: Bruidegomspijp uit Markelo