Persoonlijke verzorging

Zo fris als een hoentje

Vanaf de zeventiende eeuw hadden huizen latrines of privaten die zich op de binnenplaats of op het achtererf bevonden, waar de bewoners geen last hadden van de stank. ’s Nachts en in de winter bood een kamerpot uitkomst.

Vanaf het midden van de negentiende eeuw werd met affiches, brochures en handboeken het verband tussen een goede gezondheid en lichaamshygiëne onder ieders aandacht gebracht. Het baden en wassen was in die tijd helemaal niet zo vanzelfsprekend en al helemaal niet het gebruik van een eigen handdoek, washand en tandenborstel. Alleen de rijksten hadden een bad, stromend water en een geiser of boiler. Jezelf wassen deed je aan de pomp of je gebruikte het lampetstel: een schenkkan voor warm of koud water met een bijpassend wasbakje.

Rond 1950 betekende een goede verzorging dat je dagelijks je gezicht en handen waste en de rest van het lichaam minimaal een keer per week. Deodoranten waren in opkomst, maar veel parfum bevatten ze nog niet. Pas in de loop van de twintigste eeuw werd het gebruikelijker om een douche te hebben. Sinds 1965 moest ieder nieuw huis voorzien zijn van badkamer of douche en ook bij renovaties werden oudere huizen voorzien van een badcel.

Het heeft nog tot 1970 geduurd voordat nagenoeg ieder huis op de riolering werd aangesloten. Met de komst van de confectie-industrie, die vooral na de Tweede Wereldoorlog de markt veroverde, werd ondergoed voor iedereen betaalbaar.

Oude gebruiksvoorwerpen in de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum laten zien welke middelen mensen tot hun beschikking hadden voor hun persoonlijke verzorging en hygiëne.



 
Persoonlijke verzorging