Melkapparatuur

Tot ver in de twintigste eeuw werden koeien met de hand gemolken, zeker bij kleinschalige boerenbedrijven of boeren met een slechts een enkele koe. Rijke boeren met grote bedrijven begonnen al vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw te moderniseren en mechaniseren. De nog relatief nieuwe uitvindingen zoals de melkmachines en separatoren werden bij grotere melkveehouderijen ingezet. Zolang de arbeidskracht nog goedkoop was, bleef dit echter beperkt.

Mechanisch melken

Pas rond 1900 begon het mechanisch melken gangbaarder te worden en zich mondjesmaat door te zetten. Na de Tweede Wereldoorlog waren er in heel Nederland slechts 2571 melkmachines, waarvan 928 in Friesland. Friesland is traditioneel de provincie met de meeste en grootste melkveehouderijen. Vanaf de jaren 1950 steeg het aantal tot ongeveer 4200 apparaten. De verkoopaantallen stegen in de jaren zestig van de twintigste eeuw met aanvankelijk duizend machines per jaar. De melkmachine en melkapparaten drongen daarna overal door en werden uiteindelijk standaard. Tegenwoordig is het boerenwerk nog verder gemechaniseerd en geautomatiseerd. Zo bestaan er nu computergestuurde melkmachines. Aan het eind van de twintigste eeuw is de melkrobot ontwikkeld, die de koe volledig automatisch melkt.

Melkapparaten uit NOM-collectie
De hier getoonde melkapparaten zijn allemaal in de twintigste eeuw vervaardigd en de modernste materialen van die tijd zijn toegepast, waaronder roestvast staal en synthetische materialen zoals kunststof en kunstrubber. Voor collectionerende musea levert dit soms een uitdaging op met betrekking tot het behouden van hun verzamelingen. Vooral plastics en synthetische rubber zijn niet bestand tegen externe en interne invloeden. Zo verdwijnen de weekmakers uit het plastic en de rubber. De synthetische materialen verkleuren en worden plakkerig of bros en vallen tot stof uiteen.



 
Melkapparatuur