Breien

Insteken, omslaan, af laten gaan

Mode
Breien is in de mode. Niemand kan er omheen. Nu in de meeste plaatsen gespecialiseerde wolwinkels zijn verdwenen en bijna geen kind meer leert breien, is dat breien opeens enorm hip. Niet alleen in de kleding zien we (grofgebreide) accessoires, ook in het interieur komen veel breisels voor. Als het geen echte breisels zijn in de vorm van poefs, kussens en zelfs jasjes voor een vaas, dan zijn het wel dessins van breisels gedrukt op dekbedovertrekken of als reliëf in aardewerk. Zelfs buitenshuis vinden we breisels. Lantaarnpalen, bomen en standbeelden worden van een gebreide jas voorzien, een rage die vanuit de Amerikaanse staat Texas is overgewaaid.

Nuttige Handwerken
Toen in 1900 de algemene leerplicht werd ingesteld voor kinderen tussen de 7 en 13 jaar, was het onderwijs in Nuttige Handwerken een verplicht vak, alleen voor de meisjes. Die verplichte nuttige handwerken bestonden uit die technieken die een meisje moest beheersen om alle onderkleding (en enige bovenkleding) voor haar gezin te maken en te onderhouden.

Daarvoor leerde zij knippen en naaien, breien, haken, stoppen en mazen en versierend afwerken. Het was wenselijk dat een meisje niet vóór het zevende jaar met het onderwijs in handwerken begon en dan drie of vier uur per week les ontving. Ieder meisje begon met breien. Dat werd als het makkelijkst gezien. Alle oefeningen leidden tot het kunnen breien van een kous of sok, een basisvaardigheid die ieder meisje hoorde te beheersen. En ging die sok of kous kapot, dan werd die niet zoals nu weggegooid, maar gerepareerd. Dan kwamen de lessen in stoppen en mazen van pas.

Bijverdienen
Maar kousen werden niet alleen voor het eigen gezin gebreid, ze werden ook wel verkocht. Lijsje Springer-de Jonge (1922) uit Marken vertelde: ‘Als ik om vier uur thuis kwam uit school moest ik eerst een paar naadjes breien. Dat deed je omdat er iets mee te verdienen was. Die kousen waren voor oudere mensen, die zelf niet meer konden breien.’

En Neeltje Sombroek-Schilder (1918) uit Volendam kon als jonge vrouw voor de Tweede Wereldoorlog haar danslessen betalen door kousen te breien: ‘Voor twee kousen kreeg ik een kwartje, ik zat er soms tot half twee ’s nachts aan te breien.’

Collectie
In de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum is een grote variatie aan breisels te vinden, variërend van werkstukken uit het onderwijs tot breisels toegepast in kleding en interieur.

Er bestaat weinig gebreide bovenkleding die specifiek is voor een bepaalde plaats of streek. Een uitzondering vormen de gebreide truien van vissers, met hun kenmerkende motieven voor iedere plaats. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw gingen meisjes en vrouwen in Staphorst en Rouveen doordeweeks korte vesten dragen, gebreid van blauwe wol. Naast gebreide kousen kenden veel streekdrachten gebreide accessoires als slaap- of huismutsen en pols- of armwarmers. Deze konden eenvoudig van patroon zijn of ingewikkelde dessins hebben.
 
Bij kralenbreiwerk worden de kralen van tevoren op de draad geregen en tijdens het breien in het patroon verwerkt. In de collectie zijn daarvan heel eenvoudige tot uiterst verfijnde voorbeelden te zien. Ook het zogenaamde kantbreiwerk is heel verfijnd. Het werd gemaakt met heel dun garen en in ingewikkelde open patronen, waardoor het op kant lijkt. Dit kantbreiwerk komt onder andere in Friese mutsen voor en is dan gecombineerd met echt kant. Kantbreiwerk behoorde niet tot de nuttige, maar tot de zogenaamde fraaie handwerken. Daarin werden de meisjes van gegoede huize onderwezen.

Onderstaande selectie geeft een klein overzicht van de variatie in breitechnieken en toepassingen. Naast breisels heeft het Openluchtmuseum ook boeken op het gebied van breien in huis en tijdschriften met patronen.



 
Breien