Kindererf

Kindererf

Delen

Kinderen kunnen op het Kindererf van dichtbij zien hoe de dieren leven. Zo leren kinderen bij het (school)project Keuterboeren waar nou eigenlijk de melk vandaan komt en dat je de dieren goed moet verzorgen, zodat zij weer zorgen dat jij goed te eten hebt.
 

  • De Vlaamsche schuur op het Kindererf is op woensdag- en vrijdagmiddag open van 13:15-16:30 uur. De stal is dan open voor iedereen. De kinderen kunnen de boer(in) helpen met het verzorgen van de dieren.
  • Op zaterdag, zondag, officiële feestdagen en officiële schoolvakanties is de stal geopend tussen 10.00 - 16.30 uur.
  • Tussen 10.00 en 12.30 uur zijn er keuterboer-activiteiten speciaal voor 3-, 4- en 5-jarigen. ‘s Middags is de stal open voor iedereen. De kinderen kunnen de boer(in) helpen met het verzorgen van de dieren.


Samenwerken met de boer of boerin?
Bekijk de activiteit Handen uit de mouwen, en ga aan de slag op het kindererf.

Geiten

Men neemt aan dat onze huisgeit een wilde soort geit, de Bezoargeit, als voorouder heeft. De geit en het schaap waren de eerste herkauwers die door de mens werden gedomesticeerd. Dit gebeurde ongeveer 10.000 jaar geleden in het gebied waar nu Iran en Irak liggen.

In Nederland arriveerden de eerste geiten waarschijnlijk omstreeks 5300 v. Chr. Ze maakten deel uit van de veestapel van de eerste boerennederzettingen in Zuid-Limburg. Van daaruit heeft de geit zich over heel Nederland verspreid. Op oude Nederlandse schilderijen zijn meestal wel een paar geiten bij een boerderij te zien. Ze zijn dan afgebeeld in de buurt van spelende kinderen of voor een bokkenkar.

Geiten zijn niet kieskeurig. Ze eten behalve gras ook takjes, struiken en allerlei andere planten. Op schrale gronden waar geen koeien gehouden kunnen worden, kunnen geiten zich wel redden. De geit zorgt ook voor melk en vlees.

In het Nederlands Openluchtmuseum wonen Nederlandse landgeiten, een ras dat in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw nog bijna was verdwenen.

Varkens

Het varken behoort tot het geslacht Sus en is sinds het Mioceen (tussen 25 en 2 miljoen jaar geleden) bekend in Oost-Azië. Binnen de soort van het wilde zwijn komt veel variatie voor en hiervan stammen alle gedomesticeerde varkens af.

In Nederland kwamen in het begin van de negentiende eeuw twee typen varkens voor: een klein steilorig varken en een groot grootorig varken. Het klein, steilorig varken is in het midden van de negentiende eeuw geheel verdrongen door het grote grootorige varken. In de loop van de negentiende eeuw zijn diverse rassen ingevoerd om het grootorige varken om te vormen tot een vroegrijper en sneller groeiend varken.

Zo ontstonden diverse rassen waaronder het in het museum rondscharrelende Nederlands landvarken. Je vindt de varkens in het weitje achter de boerderij uit Kadoelen en bij de boerderij uit Varik. Tijdens de winteropenstelling staan de varkens op stal in de boerderij uit Staphorst.

Koeien

De koeien die wij kennen stammen af van het oerrund. Dit oerrund, ook wel oeros genoemd, is nu uitgestorven. Het was donker- tot zwartbruin en veel groter dan onze koeien. Ongeveer 9000 jaar geleden gingen mensen in het Midden Oosten de oerrunderen als huisdier houden omdat ze graag een vleesvoorraad voorhanden hadden. Al snel ontdekte de mens dat runderen voor meer dingen nuttig zijn. Zo werden ze later ook gebruikt als trekdier en van de melk werden producten zoals kaas en boter gemaakt.

In steeds meer landen werd het rund een boerderijdier. Op den duur zijn de koeien in al die verschillende streken er anders uit gaan zien. Er ontstond een grote verscheidenheid in kleur en aftekening. Maar ook het doel waarvoor ze gebruikt werden, zorgde voor verschillende typen koeien. In de 19e eeuw ging men van rassen spreken. Men noemde dieren die dezelfde uiterlijke kenmerken hadden een ras.

In het Openluchtmuseum vind je de volgende rassen en kleurslagen:Groninger blaarkopFries Roodbont, Maas-Rijn-IJssel (MRIJ) koeien, Witrikken en Baggerbont.

In de zomer lopen de koeien in het weiland en kalfjes zijn vaak te vinden op het kindererf en in de kinderwei. In de winter staan de koeien op stal in de boerderij van Staphorst.

Kippen

Kippen komen oorspronkelijk uit de warme Oost-Aziatische gebieden en stammen af van het Boshoen
De dieren worden al lang door mensen gehouden om het vlees, de eieren en omdat ze mooi zijn.
We kennen in Nederland een flink aantal oude rassen die al op schilderijen uit de 16e en 17e eeuw voorkomen.

Maar toen in de 19e eeuw de kippen méér eieren en vlees moesten gaan opleveren werden de Oud Nederlandse hoenders bijna allemaal vervangen door productievere buitenlandse rassen en weer kruisingen hiervan. De kruisingen lenen zich goed voor de bio-industrie.

Nu worden de Oud Nederlandse rassen in stand gehouden door hobbyfokkers. Van sommige rassen is het aantal dieren inmiddels zo klein dat ze in hun bestaan bedreigd worden.

Verspreid over het hele museumterrein kun je de volgende rassen vinden:
De Assendelfter, het Drentse hoen, het Hollandse kuifhoen, de Noordhollandse blauwe, het Lakenvelder hoen, de Uilenbaard, de Brabanter, de Barnevelder, het Welsumer hoen, de Groninger meeuw, en het Hollands hoen.

Het museum werkt nauw samen met de Nederlandse Hoenderclub.

Schapen

Het gedomesticeerde schaap stamt af van het wilde schaap. Dit wilde schaap komt in meerdere variëteiten voor in een gebied dat zich uitstrekt van het Midden-Oosten tot in Azië en verder tot in het oosten van Noord-Amerika. Vanuit het Midden-Oosten heeft het gedomesticeerde schaap zich geleidelijk over grote delen van de wereld verspreid. In Nederland is het houden van schapen omstreeks 5000 v. Chr. begonnen. Die schapen kunnen er ongeveer hebben uitgezien als onze huidige (gehoornde) Drentse heideschapen.

Uit dit type schapen is in de loop van de eeuwen een aantal verschillende rassen ontstaan door natuurlijke selectie (aanpassing aan de verschillende leefomstandigheden zoals grondsoort en klimaat) en door selectie door de mens (fokkerij). Op basis van het gebruik en de leefomstandigheden worden de Nederlandse rassen ingedeeld in de heideschapen, die ontstaan zijn op voedselarmste gronden en de weideschapen, die zich ontwikkelden op voedselrijkere gronden.

Heideschapen
In de negentiende eeuw trokken grote kudden heideschapen over uitgestrekte ruige terreinen. De voornaamste reden daarvan was dat de dieren mest produceerden. De schapen vraten overdag van de vegetatie en werden ‘s nachts gestald. De dieren mestten in de stal. De herders mengden de mest met heideplaggen en verspreidden het mengsel daarna over de schrale akkers. Met de komst van kunstmest werden de heideschapen overbodig. Hun aantal nam snel af en ze werden met uitsterven bedreigd.

Op verschillende plaatsen in het museum zie je de volgende heideschapen: de Schoonebeeker, het Veluws heideschaap en het Drents heideschaap.

Paarden

Onze paarden stammen af van het wilde paard. In sommige dierentuinen zijn paarden te zien die daar sterk op lijken, de zogenaamde przewalskipaarden. Ongeveer 5500 jaar geleden begonnen mensen wilde paarden tam te maken. Eerst werden ze vooral gehouden voor het vlees, maar later ontdekte men dat een paard een goed trekdier is. Nog weer later gingen mensen een paard als rijdier gebruiken. Het duurde niet lang voordat in de oorlogsvoering gebruik gemaakt werd van de snelheid en het indrukwekkende imago van paarden.

Paarden werden op den duur geselecteerd op eigenschappen. De één wilde grote paarden die snel konden lopen, de ander een stevig trekpaard en een derde een vurig strijdros. Zo ontstonden er verschillende typen paarden. Daarbij was ook van invloed dat paarden zich aanpasten aan hun leefomgeving.

In Nederland werden paarden vooral gebruikt in de landbouw. Aan het type was te zien of het op zware klei of op lichtere zandgronden moest werken. In de eerste helft van de 20ste eeuw werden in verschillende streken van Nederland diverse paarden gefokt voor het boerenwerk: Friesland, Groningen, Zeeland en Gelderland hadden harde werkers met min of meer rastypische kenmerken. Na de komst van landbouwmachines verloor het paard zijn functie als trekpaard. Daardoor is het aantal paarden dat als trekdier gebruikt werd drastisch achteruit gegaan.

In het Openluchtmuseum wonen twee paarden: Tinus, een Gelders paard en Omar, een Groninger paard

Details

Kindererf

Kom dieren kijken in het Openluchtmuseum
Activiteit datum

Van 24-03-2017 tot 30-10-2017
10:00 - 17:00 uur

Aantal personen
N.v.t.
Leeftijd
Tot de lunch zijn er activiteiten speciaal voor kinderen in de leeftijd van 3 t/m 5 jaar, vanaf 13.00 uur kunnen alle kinderen de boer(in) in de stal komen helpen met klusjes.