De kienspaan, op het verkeerde been...

De kienspaan, op het verkeerde been...

Door Leendert van Prooije (“Winterconservator”)

In ‘level 2’ van het Water- en vuurspel in het park maakt de bezoeker kennis met kienhout als verlichtingsbron en als brandstof. In de winkel van Lambertus ligt een kleine stobbe kienhout en in Kadoelen ligt een kienspaanhouder uit de collectie met een ‘spaander’ die van een stuk kienhout is afgezaagd.

We baseren ons in de game op het leuke boekje Licht in huis : kienspaan, kaars en olielamp van Hermanna W.M. Plettenburg, dat ons museum in 1968 uitgaf. In dat boekje wordt weinig over het gebruik van de kienspaan gezegd. Er zijn twee kienspaanhouders uit onze collectie in afgebeeld maar de ervaringen met de kienspaan zijn ‘tweedehands’.

Maar wat de oud-collega helder stelt is dat een kienspaan afkomstig is van het keiharde ‘“fossiele” hout’ , ‘dat in de venen wordt gevonden’. Net zo – en in haar spoor- doet E. Berkers dat in zijn stuk Een nieuw licht in de Geschiedenis van de Techniek in Nederland.

Die informatie over het kienhout komt uit oudere bronnen. “kienhout” lag ”in het groenland” ”met veenhoudenden bodem” ”nauwelijks beneden den beganen grond” “Dit hout was zo brandbaar, dat men door het afscheuren en in het vuur ontsteken van snippers, de pijp en het lamplicht aanstak” De raapolie-“lamp gaf slechts een zwak licht en diende voor het werk van de vrouwen”. “De mannen zaten om het houtvuur, waarin kienhout werd gestookt, waarvan een houtje voldoende licht bij het breien van de mannen gaf”, zo schreef Harm Tiesing in één van zijn meer dan 1000 artikelen over de geschiedenis van en landbouw in Drenthe.

In de tijd waar Tiesing over schrijft, meldt de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 11-09-1857, dat in de Wieden in het Ambt Vollenhove, oftewel vlak bij de boerderij uit Kadoelen, “vele lieden” bezig zijn met het “trekken” van kienstobben die daarna worden “opgevischt”. Dat gebeurde al “sedert onheugelijke jaren” “Het kienhout is voor de verbruikers van zeer groote waarde, daar hetzelve na tot blokken gekloofd en goed gedroogd te zijn, niet alleen zeer fel brandt, doch ook eene zeer heldere vlam geeft, zoo dat velen er het lamplicht door uitwinnen en hun avondwerk bij het licht de vlam kunnen verrigten”.

Op 6 oktober 1869 geeft een bericht in het Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad een beeld van dezelfde strekking. Weer wordt het “uitwinden” (met een winde vanuit een boot uit het water optakelen) van stobben kienhout in Ambt Vollenhoven beschreven en weer blijkt: “Dat hout levert een uitmuntende brandstof en in menig arbeidersgezin is het heldere licht, door het brandende ‘kienhout’ in het woonvertrek verspreid, voldoende om er het avondwerk , als het breien van fuiken, het spinnen enz. bij te verrichten”. In dezelfde tijd wordt ook de kienhoutwinning in de “friesche veenen” beschreven.

Toen we voor het Water- en vuurspel een stuk kienhout aanschaften hadden we dan ook hoge verwachting van de lichtopbrengst en brandduur van een spaan kienhout. Voor de presentatie zaagde Jos Hermsen een spaan af. Jos en ik verbaasden ons over de hardheid van het hout. We konden ons niet voorstellen dat je er gemakkelijk grote spaanders als kienspaan vanaf kunt krijgen.

Ik nam een aantal rafels mee naar huis om te experimenteren. Tot mijn verbazing wilden de snippers nauwelijks branden. De langste brandduur was misschien 1 seconde. Zoiets zet je aan het denken over de vraag: Is een kienspaan wel een spaan van een stuk kienhout?

De oplettende lezer ziet dat de beschrijvingen uit de oude tijd niet spreken over een kienspaan, maar steeds melding maken van het licht dat wordt uitgestraald door de grotere stukken kienhout die in het vuur branden. Het is het bijeffect van het gebruik van kienhout als brandstof. Dat spoort dan weer met bijvoorbeeld de krantenvermeldingen uit 1854 waar de scheepsladingen kienhout worden beschreven die al vast klaarliggen als brandstof voor de stoom-turfcokesfabriek die in aanbouw is in Dedemsvaart. Opvallend is ook dat er in de 1e en 2e Wereldoorlog –in tijden van brandstofschaarste – veel vermeldingen zijn waarin tonnen kienhout, of wagons vol, uit de Drentse veengebieden worden aangeboden als brandstof voor fabrieken, centrale verwarming, bakkersovens of simpelweg voor de kachel. Die aanbiedingen in advertenties blijven doorgaan tot in 1948. Als de kienspaan in de oude kranten al eens een keer vermeld wordt, dan is het vaak in historische verhalen of feuilletons met beschrijvingen van gebeurtenissen in Duitstalige gebieden. Biedt dat een aanknopingspunt?

Welnu, een zoekactie op het Duitse woord Kienspan, levert onmiddellijk uitsluitsel. De Duitse Kienspan is een stuk sterk harshoudend naaldhout, waarvan het gehalte aan hars nog werd bevorderd door de levende boom aan de buitenzijde te beschadigen. Als zo’n boom wordt geveld worden de van hars doordrenkte delen tot “Späne” gespleten. En die kienspanen worden als bron van verlichting gebruikt.
De Nederlandse kienspaan is dus een directe ontlening uit het Duits. Maar doordat het Nederlands ook het woord kienhout kent, is in een tijd dat de harshoudende stukken naaldhout als lichtbron al lang buiten gebruik waren geraakt de verbinding gelegd met kienhout.

Ach, hoe logisch en hoe simpel kan het zijn. En hoe kun je je door de als betrouwbare bron bekend staande literatuur op het verkeerde been laten zetten. Gelukkig biedt het simpele experiment het begin van de oplossing.