Nederlands Openluchtmuseum, het leukste dagje oud  Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem

Materieel

Voor het vervoer van de bezoekers heeft het museum de beschikking over meerdere trams. Een aantal daarvan is in bruikleen uit Rotterdam en Den Haag. De Rotterdamse ‘werkpaarden’ 535, 536 en 520 verzorgen zelfs het merendeel van de ritten in het museum. De ‘jongste’ tram is de 631 uit 1968. Deze tram kan sneller rijden en meer mensen vervoeren. 
 
In de remise worden de trams dagelijks onderhouden. De GETA 76 is er zelfs in het geheel nagebouwd. jaren. De trams die tijdens uw bezoek niet rijden, kunt u in de remise uitgebreid bekijken. 
 
Overzicht van trams in het Openluchtmuseum 

GETA 76
Van de Arnhemse trams was na de oorlog niet veel overgebleven. De GETA 76, oorspronkelijk gebouwd in 1929,  is dan ook een replica. Aan de hand van enkele tekeningen, gesprekken en ervaringen van oud-trammedewerkers is jarenlang gewerkt aan de bouw.
 
De GETA 76 is geen exacte kopie van de vijf trams uit de serie GETA 70-75. De Arnhemse trams reden bijvoorbeeld op smalspoor, in het museum is gekozen voor normaalspoor. Daardoor kunnen ook andere trams op het spoor rijden en kan de GETA 76 gemakkelijk worden uitgeleend.
Ondanks deze aanpassingen geeft de GETA 76 een goed beeld van de Arnhemse tram in de jaren '20.
 
Bij een noodstop wordt voor het remmen zand op de rails gestrooid. Dit om te voorkomen dat de wielen doorglijden. Het zand is opgeslagen onder een aantal stoelen in de tram. Het systeem wordt bediend door de bestuurder.

Twee-asser 274
Deze tram heeft tot 1963 in Den Haag dienst gedaan. Hij behoorde tot de serie 250-279, gebouwd door HAWA in Hannover. Enkele wagens uit deze serie werden tot pekelwagens verbouwd. Deze 274 werd geen pekelwagen, maar opgenomen in de collectie van de Tramweg Stichting. In het museum is de tram tussen 1996 en 2001 grondig opgeknapt en ingericht als tram uit de jaren '20.

Vier-assers 520, 535 en 536
In 1929 kwamen bij de Rotterdamsche Elektrische Tram (RET) voor het eerst trams met vier assen in dienst. Ze waren zo’n succes, dat de RET nog eens honderd van deze wagens bestelde. Tot 1967-1969 bepaalden deze wagens het straatbeeld van Rotterdam.
 
De trams werden toen gesloopt. Slechts twintig wagens werden gespaard voor de slopershamer. Rotterdam koestert nog altijd de overgebleven wagens. Om te rijden op de toeristische tramlijn 10 bijvoorbeeld, die ’s zomers dwars door Rotterdam loopt. De trams zijn eigendom van het Openluchtmuseum en naar de Rotterdamsche RET stijl van de jaren ’30 ingericht. 

Zesassig geleed motorrijtuig 631
Dit is de jongste tram die door het museum rijdt. De tram is gebouwd in 1968 en reed tot 1995 in Rotterdam bij de Rotterdamsche Elektrische Tram (RET). Bij een schilderbeurt in 1999 kreeg de tram de moderne RET-kleuren wit, groen en zwart.
De tram kan in vergelijking met de andere trams veel passagiers tegelijk vervoeren met zo’n 140 staanplaatsen. Daarom wordt de tram in het museum vooral ingezet bij grote drukte.

RET vierassige bijwagen 1050

Dit aanhangrijtuig 1050 stamt uit de serie 1021-1056, die tussen 1948 en 1950 aan de Rotterdamsche Elektrische Tram werd geleverd door de rijtuigenfabriek Allan uit Rotterdam. Er was plaats voor 34 zittende en 50 staande passagiers. Het rijtuig, ingericht in de stijl van de jaren '50,  wordt in het museum achter de Rotterdamse vierassers gehangen. Dit gebeurde in werkelijkheid ook af en toe.